Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8766

Datum uitspraak2004-12-17
Datum gepubliceerd2005-01-05
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1594 AOW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Is terecht een korting toegepast op het aan betrokkene toegekende ouderdomspensioen op de grond dat hij slechts ingevolge de AOW verzekerd is geweest gedurende - afgerond – zes jaren?


Uitspraak

03/1594 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank. Bij besluit van 29 mei 2000 heeft gedaagde aan appellant bericht dat hij geen recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) omdat hij niet verzekerd is geweest ingevolge deze wet. Tegen dit besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend, waarop gedaagde een beslissing heeft genomen die door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 8 augustus 2001 (geregistreerd onder nr. AWB 01/476 AOW) is vernietigd. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 12 april 2002 naar aanleiding van nader onderzoek aan appellant met ingang van 1 juli 1999 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 12% van het volledige ouderdomspensioen voor een ongehuwde. Voorts heeft gedaagde bij hetzelfde besluit het AOW-pensioen herzien in verband met het huwelijk van appellant met [echtgenote] in december 1999 en aan appellant met ingang van 1 december 1999 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 12% van het volledige ouderdomspensioen voor een gehuwde. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 februari 2003 (geregistreerd onder nr. AWB 02/105 AOW) het beroep van appellant voorzover gericht tegen het besluit van 12 april 2002 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 5 november 2003, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of gedaagde terecht een korting heeft toegepast op het aan appellant toegekende ouderdomspensioen op de grond dat appellant slechts ingevolge de AOW verzekerd is geweest gedurende – afgerond – zes jaren, gelegen in de tijdvakken van 26 oktober 1977 tot 1 oktober 1979 en van 1 april 1981 tot 1 december 1984. Mede op grond van de door appellant in bezwaar verstrekte informatie heeft gedaagde nader onderzoek verricht naar de verzekerde tijdvakken van appellant ingevolge de AOW. Daarbij is hem niet gebleken van andere verzekerde tijdvakken naast de zojuistgenoemde twee. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat niet is komen vast te staan dat appellant naast deze twee tijdvakken verzekerd is geweest ingevolge de AOW. Appellant heeft in hoger beroep wederom aangevoerd lange tijd in Nederland te hebben gewerkt. De Raad heeft in deze niet nader met stukken onderbouwde stelling geen aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden en onderschrijft de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten. Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2004. (get.) M.M. van der Kade. (get.) M.F. van Moorst. Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.